Zoeken
  • Jan B. Hommel

Broodheren - Al eerder gepubliceerd in 2017

Bijgewerkt: 10 okt 2020


In de geneeskunde wordt het functioneren van de medisch specialist tegenwoordig langs de meetlat van de CanMEDS gelegd, mijn inziens de zoveelste poging om een per definitie subjectief waardeoordeel in de schijnvertoning van een objectief kwaliteitskenmerk te verpakken.

Volgens deze nieuwe kwaliteitsreligie moet de medisch specialist een ”professional en een kwaliteitsbevorderaar” zijn, een communicator, een samenwerkingspartner, een reflectieve professional, een gezondheidsbevorderaar en een organisator. Hoewel deze combinatie van eigenschappen al nauwelijks te verenigen zijn in één persoon, ontbreekt er mijns inziens nog een eigenschap die in het ziekenhuis van groot belang is, maar nog niet eerder in de CanMEDS werd benoemd: ”De medisch specialist dient de financiële en economische belangen van het ziekenhuis adequaat te behartigen en te borgen.” Ik zou er voor willen pleiten om deze belangrijke eigenschap als fris nieuw blaadje toe te voegen aan de al veelkleurige bloem van de CanMEDS.


Een 86-jarige vrouw werd opgenomen met een subarachoidale bloeding op basis van een groot cerebraal aneurysma met een collega als hoofdbehandelaar. Vanzelfsprekend werd ze besproken met de neurochirurg uit het naburige centrum, maar in goed overleg werd besloten om af te zien van behandeling van het aneurysma, naar aanleiding van de leeftijd en de algehele conditie. Aanvankelijk was patiente wisselend nog wel bij bewustzijn, maakte daarbij oogcontact en sprak enkele woorden, hoewel ze het grootste deel in een rustige schemertoestand in bed lag. In de dagen na opname zakte ze steeds verder weg, tot ze uiteindelijk niet meer wekbaar was en geen contact meer maakte. Met lage doseringen palliatieve medicatie was patiente niet angstig of onrustig, maakte op geen enkele manier de indruk pijn te hebben, en was ook niet benauwd of kortademig. Door het voltallige team van neurologen werd vrijwel dagelijks, soms zelf meerdere keren per dag, met de kinderen gesproken.

Er bestond binnen het team van neurologen geen enkele twijfel over het te voeren beleid. Dit werd dan ook steeds opnieuw door de verschillende collega’s in gelijksoortige bewoordingen met de familie besproken. Er zou niet meer behandeld worden met het doel het leven te verlengen, en eventuele angst, pijn, onrust, benauwdheid of kortademigheid zou met de reguliere palliatieve medicatie behandeld worden. We zouden de natuur laten bepalen wanneer patiente zou komen te overlijden. Tot zover niets ongebruikelijks.

Echter, ondanks de vele en soms intensieve gesprekken wilde of kon één van de kinderen het gevoerde beleid niet begrijpen. Ze vond dat haar moeder dit alles niet meer ”mee hoefde te maken” en vroeg of wij haar ”geen spuitje konden geven”. Hoewel patiente in kwestie geen enkel teken van mogelijk lijden liet zien vond zij dat haar moeder wel leed. Als team legden we haar steeds weer uit dat wij niet leven en dood gingen, en dat we mensen slechts konden begeleiden op het laatste pad. Ook probeerden we haar bij herhaling duidelijk te maken dat haar moeder niet leed. Desondanks eiste zij dat wij palliatieve sedatie zouden toepassen, ondanks het feit dat wij van mening waren dat hiervoor geen enkele indicatie bestond. Op mijn vraag of de palliatieve sedatie als doel had het lijden van haar moeder te verkorten of haar eigen lijden, wist ze geen antwoord. Ze bleef bij haar eis dat wij moesten starten bij palliatieve sedatie. Dat konden en wilden wij echter niet doen, alleen al door het ontbreken van enige indicatie.


De situatie kreeg een bijzonder vreemde wending toen de huisarts van patiente zich met de casus bemoeide omdat de dochter zich bij hem had beklaagd: Ik kreeg hem zelf helaas als eerste aan de telefoon. Hij stelde zich voor als de huisarts maar vooral als SCEN-consulent met een lange ervaring in dergelijke situaties. Zijn vraag was waarom wij niet overgingen tot palliatieve sedatie. Ik legde hem de situatie uit, en vertelde dat er volgens de geldende wetgeving en protocollen geen indicatie bestond en dat wij dat dan ook geen palliatieve sedatie zouden toepassen. De huisarts vond dit alles echter geen reden om af te zien van palliatieve sedatie. De huisarts vond dat wij dit wel zouden moet doen, en wel met de volgende motivatie: ”Maar de familie wil het graag… Waarom zou je het dan niet doen? Ze gaat toch dood, dan maakt het toch niet uit of je haar een handje helpt? Als de familie dat nu graag wil?”

Ik stond perplex. De huisarts bleef echter niet alleen bij zijn mening, maar voegde daad bij het woord. Met de familie besprak hij dat hij wel bereid was om palliatieve sedatie toe te passen, maar dat patiente hiervoor naar huis ontslagen moest worden omdat wij als behandelend team niet mee wilden werken aan palliatieve sedatie in het ziekenhuis. En zo geschiedde. De familie eiste dat patiënt met palliatieve thuiszorg naar huis zou worden ontslagen. Omdat de kinderen de wettelijke vertegenwoordigers van patiënte waren werd dit verzoek ingewilligd. En dus werd patiente door de familie van de afdeling ”gekaapt” en naar huis ontslagen. De huisarts startte nog dezelfde dag palliatieve sedatie in de thuissituatie, en enkele uren later overleed patiente alsnog. In hoeverre de palliatieve sedatie hieraan bijdragen heeft, is niet duidelijk.


Een euthanasie vermomd als palliatieve sedatie, tegen alle richtlijnen in en in strijd met de huidige wetgeving. Een euthanasie waarom patiente niet had gevraagd, enkel en alleen uitgevoerd omdat één dochter dat wilde. En een huisarts, nota bene een SCEN-consulent, die er geen enkel beletsel zag om hieraan zijn medewerking te verlenen. Ik was woedend over deze gang van zaken, maar besloot de situatie aan de hoofdbehandelaar over te laten. Het was tenslotte niet mijn patiënte. De hoofdbehandelaar was overigens even boos en ontdaan als ik, en maakte de huisarts in niet mis te verstane bewoordingen duidelijk hoe zij over over deze gang van zaken dacht. Niet dat deze zich daardoor van zijn standpunt liet brengen.


Maanden later kregen wij als neurologen een e-mailtje van de verpleegkundige van het palliatieve team van het ziekenhuis, met de vraag of wij wilden aanschuiven bij een multidisciplinaire nabespreking met de betreffende huisarts over deze casus. Daar had ik niet bijster veel trek in en ik stuurde haar het volgende antwoord:


Beste …,

Ik heb bijzonder weinig animo om aan te sluiten bij een palliatief MDO met deze huisarts. Het was verstandig en chique geweest van deze huisarts om destijds met ons te overleggen, maar destijds koos hij er welbewust voor om ons beleid te doorkruisen en op eigen houtje, buiten alle richtlijnen om, zonder goede indicatie, over te gaan tot palliatieve sedatie in de thuissituatie, enkel en alleen omdat de familie dit graag wilde.

Ik werk niet graag samen met iemand die zo overtuigd is van zijn gelijk, en zo overtuigd alle richtlijnen en protocollen rondom het palliatief beleid van patiënten aan zijn laars lapt. Ik heb het destijds laten gaan, omdat het niet om mijn patiënt ging, maar als deze huisarts hetzelfde zou doen bij een van mijn patiënten, zou ik hem zonder enige aarzeling een tuchtrechtelijke procedure aandoen.

Met vriendelijke groet,

G.J. Bonte


Dit antwoord viel niet goed bij de betreffende verpleegkundige en zij deed haar beklag bij de Raad van Bestuur van het ziekenhuis. In gesprek met het lid van de Raad van Bestuur en de voorzitter van de medische staf werd ik op deze e-mail aangesproken met het verwijt dat ik hiermee onprofessioneel zou hebben gehandeld, want als ziekenhuis moest men nu eenmaal verder met deze huisarts. Over de handelwijze van de huisarts wilde het lid van de Raad van Bestuur zich niet uitlaten. Het ging immers om de communicatie? De voorzitter van de medische staf liet zich voorzichtig ontvallen dat de huisarts met dit beleid niet zijn handen op elkaar kreeg. Maar het belangrijkste was toch wel mijn tekortschietende communicatie, waarmee hij doelde op mijn e-mail.


Maanden later bleek dat het juist deze e-mail was die bij een verder vlekkeloze beoordeling van mijn functioneren in het kader van het IFMS door het stafbestuur van het betreffende ziekenhuis betiteld werd als een minder professionele communicatie met de huisarts. Ik confronteerde het stafbestuur met deze casus en het gevoerde beleid van de huisarts. Ik vroeg wat er dan zo onprofessioneel was aan bovenstaande e-mail, die nota bene niet eens gericht was aan de betreffende huisarts zelf. Ik kreeg als antwoord dat de aandacht van het stafbestuur ”niet zozeer was uitgegaan naar de inhoud of het onderwerp van deze discussie, maar meer naar de uitvoering en communicatie.”


Het staflid besloot zijn antwoord op mijn vraag met de volgende zin:


”Broodheren hebben zeker niet altijd gelijk, maar worden wel te vriend gehouden…”


De huisarts als leverancier van het product patiënt, waarvan de leverantie een niet te onderschatten financieel en economisch belang voor het ziekenhuis vormt. Dat de huisarts dan eens een keer een patiënt afspuit zoals een dierenarts dat met een oude zieke hond zou doen, enkel en alleen omdat de familie dat wil, kan dit omwille van het financieel gewin en de goede verhoudingen maar beter door de vingers worden gezien.


Ik wacht geduldig af wanneer het economische 7e blaadje aan de bloem van de CanMEDS wordt toegevoegd.


576 keer bekeken2 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven