Zoeken
  • Jan B. Hommel

48 Uur - Hoofstuk 1 & 2

Bijgewerkt: apr 20

Er zijn heel veel mensen die een boek willen schrijven. Dat wilde ik ook altijd, maar omdat er al zoveel matige schrijvers zijn, heb ik niet de ambitie om de zoveelste te zijn.


Ik heb wel een begin van een boek, maar ik heb nog geen idee waar het naar toe gaat, en wat ik eigenlijk wil zeggen. Daarom heb ik het idee opgevat om er een doorgaand project van te maken, waarbij ik het verhaal steeds in gedeelten verder gaat. Ik ben benieuwd of mensen het de moeite waard vinden om te lezen, en ik weet ook niet of een verhaal al eens op deze manier is verteld, maar wie niets probeert, zal ook nooit ergens in slagen. Veel plezier (of niet)!


Hoofdstuk 1:

Daar lag hij, 87 jaar oud, meneer Van Woerden. Lijkbleek. Maar dat was hij tenslotte ook. Een lijk. De vale, haast doorschijnende perkamenten huid met de rode vlekken. De kronkelende bloedvaatjes in het gezicht die vanuit alle richtingen samenkwamen op zijn grote rode neus. Zijn hoofd iets opzij gezakt, de weinige vettige haren op het hoofd die in alle richtingen uiteen weken. De halfopen mond met het bovengebit dat halverwege onder- en bovenkaak hing, zodat het leek alsof hij twee monden had. Het laken lag keurig met een scherpe vouw op de buik teruggeslagen. De dunne bleke armen met de fijne blauwe adertjes en de gerimpelde handen bewegingsloos naast het lichaam. Aan de linkerkant van het bed kwamen de kabeltjes van het ECG apparaat onder de deken uit. De stekker hing enkele centimeters boven het oranjebruine linoleum, en wiegde bijna onzichtbaar heen en weer. Het grauwe ochtendlicht scheen zwakjes door de matglazen deur van het naastliggende kantoor en liet de kamer grijzig donker.


Het was vroeg op een vrijdagochtend op de spoedeisende hulp. De SEH-verpleegkundigen van de nachtdienst wachtten zwijgend op de komst van de collega’s van de dagdienst, de gezichten getekend door vermoeidheid. De stad kwam langzaam op gang, het geluid van de metro en het gebrom van auto’s klonk door tot in de koffiekamer. Buiten miezerde het. De straatlantaarns bij de ingang van de spoedeisende hulp tekenden oranje halo’s op de glazen deur van de ingang. De grote wijzer van de klok tikte de zes aan, nog een halfuurtje en dan mocht de nachtdienst naar huis.

In de verte klonk het geroezemoes van de schoonmaaksters die via de hoofdingang het ziekenhuis inliepen. De eerste verpleegkundigen van de dagdienst, drijfnat van de regen, druppelden de koffiekamer binnen. De nachtdienst wilde naar huis, na een nacht met voornamelijk dronkaards die gevallen waren of met elkaar op de vuist waren gegaan. Af en toe werd een restje mens binnengebracht bij wie een of meerdere organen de eigenaar definitief in de steek hadden gelaten. Het was druk geweest, en het had tot half vijf ’s in de ochtend geduurd voordat het weer rustig werd op de SEH.

Na een korte overdracht vertrok de nachtdienst. Behalve de zacht knisperende geluiden van de spaarzaam bewegende lichamen in de stijve witte uniformen bleef het stil. Een ieder bereidde zich op zijn eigen manier voor op de komende dag, in een stad waarin geen uur onopgemerkt aan de spoedeisende hulp voorbij ging.


Jenna, een van de schoonmaaksters, had vandaag de vroege dienst op de spoedeisende hulp. Dit betekende dat ze resten van braaksel, urine en bloed op moest ruimen, weeïg walmende getuigen van wat zich in de afgelopen nacht op de spoedeisende hulp had afgespeeld. Ze liep via de spoedeisende hulp naar de deur van de gang die leidde naar het mortuarium. De deur zwaaide open en sloot zich piepend en uiteindelijk met een harde klik achter haar.

Ze haalde de sleutel uit de zak en stak deze in het slot. Vreemd. Ze kon de sleutel niet omdraaien. Ze probeerde het nog een keer. Ze haalde de sleutel uit het slot en bestudeerde hem nauwkeurig. Ze had toch wel de juiste sleutel van het rek gepakt? Ze probeerde het nog een keer. De sleutel gleed moeiteloos het slot in, maar ze kon hem niet omdraaien. Ze voelde voorzichtig aan de deurklink en duwde, en de deur gaf meteen mee. Jenna week even terug. Daarna duwde ze de deur verder open en stapte de kamer in.

Het lichtknopje van de voorraadkamer zat rechts achter de deur, en je moest eerst de deur dichtdoen om het licht aan te kunnen doen. Bij de bouw van het ziekenhuis had men er geen rekening mee gehouden dat het handig zou zijn om bij binnenkomst van een kamer direct de lichtschakelaar te kunnen bedienen. Zwabbers en bezems hingen keurig geordend aan een rek links in de kamer. Verder werd de wand bedekt door rekken met schoonmaakmiddelen, chloor, zeep, sponsjes en schoonmaakdoekjes, alles kaarsrecht geordend. Via het matglas kwam net voldoende licht binnen om de contouren in de kamer te kunnen onderscheiden.

Jenna nam niet de moeite om het licht aan te doen, ze kon haar spullen ook wel op de tast vinden. Voorzichtig schuifelde ze de kamer in en tastte met haar hand naar het wandrek dat tegen de linker wand stond. Toen ze het rek vasthad, schuifelde ze langzaam verder naar het volgende vak waar haar spullen stonden. Haar emmer met doekjes en schoonmaakmiddelen stond op de 2e plank. De zwabber hing verderop. Jenna bukte zich, voelde en pakte haar emmer. Daarna pakte ze eveneens op de tast haar zwabber. Ze draaide zich om en raakte iets met de zwabber. Ze hoorde met een droge tik iets op de grond vallen. Ze schrok, en ze voelde dat haar hart begon te bonzen. Er stond normaal gesproken verder niets in de kamer dan schoonmaakspullen. Ze sperde haar ogen wijdopen om zo het halfdonker te doorboren, en zag vaag de glans van een bedrek schemeren dat enkele meters van haar verwijderd was. Lag daar nu iemand in een bed?

Ze liep voorzichtig naar het bed toen ze met haar voet bovenop iets stapte. Het voelde als een kiezelsteen, en het ging krakend stuk onder haar voet. Ze bukte zich en voelde op de tast wat het was. Ze vond een halfrond stukje plastic dat ze herkende als het ding wat patiënten op de SEH aan hun vinger hadden. Ze kwam overeind en zag het bedrek schemeren. Er stond inderdaad een bed in hun voorraadkamer.

Pas nu zag ze het vale gezicht van meneer Van Woerden dat haar grijnzend aanstaarde, met de halfopen mond en het half in de mond hangende bovengebit. Ze schrok zo hevig dat ze achterover dreigde te vallen, maar kon zich in een reflex vastgrijpen aan het bedrek. Het bed kwam in beweging en Jenna viel achterover op de grond. De arm van meneer Van Woerden glipte door het bedrek naar beneden en de koude hand van meneer Van Woerden schampte haar gezicht.

De verpleegkundigen van de dagdienst hoorden een hysterisch gil vanaf de SEH komen. De jongste verpleegkundige liet bijna de koffiemok uit zijn hand vallen en morste hete koffie over zijn kruis. Hij sprong op, vloekte hartgrondig, met de mok koffie in de ene hand, en probeerde met de andere hand zijn onderbroek en witte lange broek zo ver mogelijk van zijn geslachtsdeel af te houden. De andere verpleegkundigen renden de gang op, waar enkele deuren verderop de deur van de voorraadkamer open stond.

De oudste verpleegkundige arriveerde als eerste, zag in het zwakke schijnsel een van de schoonmaaksters naast een bed zitten. Hij stapte kordaat naar binnen om het licht aan te doen en sloeg daarbij de deur bijna in het gezicht van na hem komende verpleegkundige. Daar zat een schoonmaakster naast een bed, de ogen wijd opgesperd en de blik gefixeerd op de bleke hand die voor haar gezicht bungelde. Ze wisselde het gillen af met zacht prevelen.

’Zeg, hou eens op met dat gegil! Hij hoort je echt niet meer!’

De oudste verpleegkundige, Herman, net 60 jaar oud geworden, raakte niet snel in paniek. Hij leek nog het meest op een gepensioneerde marinier, met zijn tanige en lange gestalte, het bottige hoofd, de ogen diep verborgen onder een vierkant voorhoofd, de grijze haren gemillimeterd.

’Zo kan ik toch niet denken!’

Hij bleef staan, met de ene hand op het lichtknopje, en liet de aanblik van de op de grond zittende schoonmaakster op zich in werken. In het bed een dode oude man, met de arm bungelend door het bedrek, de vingers gestrekt als reikte hij naar Jenna. Hij krabde zich achter de oren. De tweede verpleegkundige keek om het hoekje van de deur.

’Waar komt die nu vandaan?’ vroeg ze geschrokken terwijl ze met haar hoofd naar meneer Van Woerden knikte. De derde verpleegkundige liep de kamer in, hield even in toen ze meneer Van Woerden zag liggen, liep daarna naar Jenna en hielp haar overeind terwijl ze haar gebiedend toebeet:

’Hou nou verdomme toch eens op met dat gegil!’

Het gillen stopte en ging over in zacht gejammer. Herman en zijn twee collega’s keken samen naar de dode meneer Van Woerden, met op de achtergrond het gejammer van Jenna. In de verte hoorden ze de sirene van de eerste ambulance al langzaam dichterbij komen.

Herman krabde zich bedachtzaam aan zijn oor, zuchtte diep en sprak, meer tegen zichzelf dan tegen de anderen:

’Hij loopt in ieder geval niet weg. En klagen over zijn kamer doet ie ook niet’.

De twee verpleegkundigen keken vragend naar Herman. Als er iets opgelost moest worden, wist Herman meestal wel wat er moest gebeuren. Maar nu lag er een dode man op de voorraadkamer, en dat was een probleem dat ze nog niet eerder hadden gehad. Waar kwam deze dode oude man vandaan? Waarom lag hij niet in het mortuarium?

Herman wreef zich over zijn stoppelige kin: ’Voorlopig gaat hij dus nergens heen. We moeten eerst maar eens uitvinden waar hij vandaan komt en waarom hij hier ligt.’

’De collega’s die het zouden moeten weten liggen zijn nu nog onderweg of liggen al op één oor en hen kunnen we het op dit moment dus niet vragen. En dat geldt ook voor de dokters die deze man gezien moeten hebben. Dat betekent ook dat we de tijd hebben om dat even rustig uit te zoeken. Dat lijkt me een mooi klusje voor ons afdelingshoofd. Je zou kunnen zeggen dat dit over de beddenbezetting gaat, en dat is bij uitstek zijn pakkie-an. Hoe je het ook went of keert, deze patiënt bezet een bed. 100% van de tijd, om precies te zijn.’

Herman draaide zich naar Jenna.

’Ik geloof niet dat dit in jouw taakomschrijving staat dat je deze rommel op moet ruimen, dus het lijkt me het beste dat jij maar naar huis gaat.’

Jenna onderbrak haar zachte jammeren en keek Kees met grote ogen aan.

’Moet ik gewoon naar huis gaan? Daar ligt een dode man! Ik moet werken! De SEH moet toch schoon gemaakt worden?’

’Die man ligt hier voorlopig goed. En je hoeft hem niet schoon te maken, toch? Jij bent toch vandaag de enige die van deze voorraadkamer gebruikt maakt?’

’Ja?’

’Dan blijft ie voorlopig gewoon hier. Jij gaat gewoon naar huis. En mondje dicht, voorlopig houden we dit onder ons. We overleggen straks wel met het hoofd van de SEH wie uit gaat vinden waar deze man vandaan komt en waar hij naar toe moet. De eerste patiënt komt er al aan, en die is nog niet dood, dus daar zullen we eerst wat mee moeten doen. En als onze Kees er is, mag hij bedenken wat we met deze man gaan doen.’

’En het schoonmaken van de SEH dan?’

’Dat zal even moeten wachten, voorlopig kunnen vooruit met de kamers die nog zo’n beetje schoon zijn.’

De twee verpleegkundigen namen Jenna tussen hen in, bij wijze van escorte, en liepen in de richting van het mortuarium, naar de achteruitgang van het ziekenhuis. Herman keek nog een keer naar de dode meneer Van Woerden, en liep de kamer uit. Hij draaide de deur op slot.

Zolang de dode man daar lag had niemand er last van.

Kees, het hoofd van de spoedeisende hulp, arriveerde net voor half negen. Hij was chagrijnig. Het verkeer zat zoals altijd tegen en hij had een half uur in de file gestaan. Dat betekende ook dat de kleine parkeergarage dicht bij het ziekenhuis vol was, en dat hij uit moest wijken naar de grotere parkeergarage verderop, wat hem tien minuten meer vertraging opleverde. En Kees had een bloedhekel aan lopen.

Bovendien had hij in opdracht van dezelfde manager Acute As een half jaar geleden een nieuwe efficiency-maatregel ingevoerd waarbij hij bij moest houden welk percentage van de 16 SEH-bedden op elk moment van de dag daadwerkelijk bezet was door een patiënt. Het hogere management had besloten dat uit efficiency overwegingen de bezettingsgraad van de SEH-bedden meer dan 85% moest zijn om financieel nog enigszins rendabel te zijn. En zijn superieur had hem de taak toebedeeld om er op toe te zien dat dit percentage gehaald werd. Anders zouden er bedden en verpleegkundigen van de SEH moeten verdwijnen. En dus turfden de verpleegkundigen aanvankelijk elk half uur òf, door wie en hoe lang een bed bezet was. Onder hevig protest, dat wel, maar zoals zijn superieur hem bij herhaling had voorgehouden, voor het management van het ziekenhuis bestond er slechts een werkelijkheid, en dat was de werkelijkheid van de getallen.

Met de beddenbezetting ging een half jaar goed, ook al omdat hij instructie aan de SEH-verpleegkundigen had gegeven mensen pas naar de afdeling te brengen of naar huis te ontslaan als de volgende patiënt zich had aangediend op de SEH. Zo bleef de bezettingsgraad het afgelopen jaar meer dan 95%. Met de patiënten die opgenomen werden verliep dit perfect, aangezien het voor deze patiënten niet uitmaakte of ze nu op de SEH of de afdeling lagen, maar de mensen die naar huis ontslagen werden, vertrokken nog al eens voordat de volgende patiënt klaar was om in bed gelegd te worden. Hij had zelfs de arts-assistenten van de diverse specialisten tijdens een meeting geïnstrueerd om patiënten pas te vertellen dat ze naar huis mochten als de volgende patiënt klaar stond om in bed gelegd te worden, maar met de steeds wisselende poel arts-assistenten ging dat niet altijd goed. Bovendien was de manier van registreren door toedoen van zijn superieur veranderd, en dat had er toe geleid dat de afgelopen twee maanden de bezettingsgraad van de SEH-bedden ruim onder de 85% was gezakt. Dat had hem een reprimande van zijn superieur opgeleverd. En dat terwijl hij net intern gesolliciteerd had naar de functie Manager Patiëntveiligheid en Patiënttevredenheid op de Palliatieve Unit. Dat zou zijn PR voor deze baan geen goed doen. Hij had dan ook alle reden om stevig te balen, maar dat was nog niet alles.

Hij baalde ook steeds meer van het feit dat hij over de Spoedeisende Hulp moest lopen om op zijn kamer te komen. De kamer lag weliswaar niet op de SEH, maar aan de rechter kant van de gang, net voorbij de klapdeuren die leidde naar een gang in de kelder van het ziekenhuis, de gang die ook naar het mortuarium leidde. Hij kon de achteringang van het ziekenhuis nemen die rechtstreeks naar het mortuarium liep, maar de aanblik van de vrijwel altijd aanwezige lijkwagens bij deze ingang deprimeerde hem. Hij wilde er niet elke dag aan herinnerd worden dat hij vroeg of laat ook in een van deze lijkwagens zou komen te liggen. Bovendien moest hij om bij deze gang te komen een heel eind omlopen vanaf de parkeergarage. Bij het aanvaarden van zijn functie had hij dan ook meteen een aanvraag in viervoud ingediend om aan de andere kant van zijn kamer een nieuwe deur te laten maken. Dan kwam de deur uit op een andere gang die van de zijkant het ziekenhuis inliep, maar waarvan de deur naar buiten altijd op slot was. Vanuit deze gang was het slechts een trap omhoog naar de hoofdingang en het bezoekersrestaurant van het ziekenhuis. Dat had een aantal voordelen: enerzijds kon hij dan zijn cappuccino en jus d’orange in het restaurant halen en anderzijds betekende dat de SEH-verpleegkundigen niet meer zo gemakkelijk bij hem op de kamer konden komen. Ze zouden dan via de ingang van de SEH naar de hoofdingang moeten lopen, en de trap naar beneden nemen om alsnog bij de deur van zijn kamer te komen. Dat zou hem een hoop gezeur besparen over de werkdruk, zieke verpleegkundigen, onvoldoende bedden om patiënten in te leggen, te weinig doorstroming en ander klein leed waar hij eigenlijk geen boodschap aan had. Dat hield hem af van zijn eigenlijke taak; het, in ieder geval getalsmatig, verbeteren van de efficiency van de SEH.

Na anderhalf jaar was de aanvraag voor de nieuwe deur goedgekeurd door de Commissie Bouwveiligheid en Infrastructuur, maar de afdeling Strategisch Ruimtemanagement, de Commissie Veiligheid Medewerkers en de afdeling Infectiepreventie & Hygiene waren het nog niet eens over de vraag of de oude deur dan dichtgemetseld moest worden of niet. Pas als deze tot een eensluidend oordeel kwamen, kon de aanvraag naar de afdeling Budget & Finance gestuurd worden, waar dan beoordeeld moest worden of de aanvraag paste binnen het budget. De Commissie Veiligheid Medewerkers was van mening dat de oude deur open moest blijven om in noodgevallen snel de SEH te kunnen verlaten, maar de afdeling Infectiepreventie en Hygiene vond dat de deur dichtgemetseld moest worden om te voorkomen dat ziekteverwekkers via zijn kamer zouden kunnen oversteken naar de andere gang en vervolgens naar de hoofdingang, waar alle bezoekers binnenkwamen. De afdeling Strategisch Ruimtemanagement hield zich in deze discussie afzijdig, desgevraagd in ieder geval totdat de Commissie Veiligheid Medewerkers en de afdeling Infectiepreventie & Hygiene het onderling eens waren geworden. Beide afdelingen spraken niet met elkaar maar gaven alleen hun oordeel aan Kees. Het had hem al heel veel telefoontjes gekost, maar beide afdelingen bleven vooralsnog bij hun standpunt. En dus bleef de oude deur voorlopig bestaan en tot zijn frustratie bleef de deur ook open. Met als gevolg dat verpleegkundigen en artsen regelmatig en vooral ook ongevraagd zijn kamer binnenliepen.

Toen hij de hoek omkwam zag hij bij de deur van zijn kantoor twee twee verpleegkundigen staan. De vrouw herkende hij niet, maar de gestalte van de lange mannelijke verpleegkundige wel. Het was Herman, de oudste verpleegkundige. Hij had een hartgrondige hekel aan Herman, en voelde zich nooit op zijn gemak in zijn aanwezigheid. Hij was dan formeel wel de leidinggevende met de hoogste rang op de spoedeisende hulp, maar zodra hij in het gezelschap van Herman verkeerde voelde hij zich meer een ondergeschikte. De altijd licht-spottende blik in zijn ogen, de minzame blik en het knikje dat hij van hem kreeg als hij over de spoedeisende hulp liep op weg naar zijn kantoor, gaven hem het gevoel dat hij een buitenstaander was. Bij teambesprekingen was het Herman die zijn voorstellen voor verbetering van de efficiency met een enkele opmerking belachelijk kon laten lijken, en het was Herman die hem steeds weer het gevoel gaf dat zijn werk eigenlijk zinloos was. Van zijn voorstellen was tot nu toe ook niets terechtgekomen, en eigenlijk zag hij alleen maar toe op het uitvoeren van de voorstellen die dwingend van hogerhand kwamen. Voorstellen die overigens maar zelden op enthousiasme van de artsen en verpleegkundigen mochten rekenen.

’Goedemorgen.’

’Mogge…’

Herman deed het woord. De vrouwelijke verpleegkundige zei niets. Herman grijnsde onheilspellend.

’We hebben een klein probleem…’

Altijd als Herman zei dat ze ’een klein probleem’ hadden was er stront aan de knikker. Een tekort aan bedden, te veel patiënten op de spoedeisende hulp, patiënten in bed op de gang van de spoedeisende hulp, geen beschikbare bedden in het ziekenhuis om patiënten van de SEH op te leggen, een onwillige patiënt of een agressieve familie.

Wat was het nu weer?

’Zeg het maar… Wat is het probleem?’

’Nou, misschien is het verstandig om dat in je kamer te bespreken.’

Kees keek was verbaasd en hij voelde enige irritatie bij hem opkomen. Dit had hij nog niet eerder meegemaakt. Over het algemeen gaf Herman geen blijk van enig besef dat sommige dingen beter niet publiekelijk besproken konden worden. Hij had vaak de indruk dat Herman genoot van de aandacht van de overige toehoorders als hij zich uitsprak. Herman vroeg nooit iets, Herman richtte zijn mening als een geweer, vuurde zijn woorden af als kogels en zijn mening had niet zelden het effect van een fragmentatiebom. Meestal was hij als manager van de SEH het doelwit. En helaas miste Herman maar zelden doel.

Hij draaide de deur van zijn kantoor van slot, opende de deur en liet de twee verpleegkundigen binnen. Zelf liep hij om het bureau en ging zitten. De verpleegkundigen bleven voor hem staan.

’Nou, wat is het probleem?’

Demonstratief sloeg Herman zijn armen over elkaar voor zijn borst. Zijn ogen vernauwden zich. Het kwam Kees voor dat er zich een flauw glimlachje om Herman’s mond krulde.

’Er ligt een dooie vent in de voorraadkamer van de schoonmakers.’

Kees opende zijn mond, alsof hij iets wilde zeggen, maar zijn mond ging onverricht ter zake weer dicht. Opnieuw opende hij zijn mond maar opnieuw kwam er geen geluid uit. Hij staarde secondenlang naar Herman, alsof hij hem wilde dwingen zijn woorden in te slikken. Maar Herman gaf geen krimp en keek onbewogen op hem neer.

’Wat zeg je?’

’Wat ik je zeg: er ligt een ouwe dooie vent op de voorraadkamer. Hiernaast.’ Herman maakte een achteloos gebaar met zijn duim die naar de matglazen deur wees. Weer dat glimlachje. Onrust en onbehagen borrelden op bij Kees. Hij keek naar de vrouwelijke verpleegkundige, die eveneens geen spier vertrok. Opnieuw keek hij Herman aan.

’Wat doet er een dooie vent hiernaast? Hoe komt ie daar??’

’Ik kan maar een vraag tegelijk beantwoorden: Wat vraag één betreft, dat heb ik hem gevraagd, maar hij gaf geen antwoord. Zoals ik al zei, hij is nogal dood. Wat vraag twee betreft; in het systeem staat dat hij om 20:30 is aangemeld op de spoedeisende hulp, en dat hij getrieerd is voor de neurologie. Daarna hebben een aantal dokters hem ook gezien, en sommigen hebben ook iets opgeschreven, maar daarna is er iets niet goed gegaan…’

Herman haalde zijn schouders op.

’Maar wat er niet goed is gegaan, dat is niet helemaal duidelijk. Of helemaal niet duidelijk. Onze eigen collega’s hebben ons ook niets overgedragen. En zelf kan ie het niet vertellen. Misschien moet je zelf even gaan kijken, jij bent nu eenmaal het hoofd van de SEH.’

Kees keek hem met opengesperde ogen aan. Hij had die ochtend nog niets gegeten en als iets was wat hij verafschuwde waren het dode mensen.

’Wat moet ik in Godsnaam met een dooie vent in de voorraadkamer.’

Herman vouwde zijn armen weer voor zijn borst, meestal de informele aankondiging van zijn mening.

’Ik heb geen idee, zelf klaagt hij niet over zijn kamer, maar hij kan daar nu eenmaal niet blijven. Ik heb de schoonmaakster al vast naar huis gestuurd en gezegd dat ze dit met niemand mag bespreken. Er zal dus iemand anders moeten komen om de tent hier schoon te maken. En die dooie meneer is allesbehalve onderhoudend gezelschap. Het is dus niet aardig om hem naast een levende patiënt te leggen…’

’Hij kan toch gewoon naar het mortuarium?’

Kees probeerde zijn vraag met een strakke blik kracht bij te zetten, maar Herman vertrok geen spier.

’Nee, dat kan niet, want het blijkt dat hij officieel nog niet eens dood is. Er is niemand die weet dat ie dood is. Hij is zogezegd alleen informeel dood, maar niet formeel. En voordat hij formeel dood verklaard mag worden, zal hij eerst geschouwd moeten worden. Daarna moeten de overlijdenspapieren worden ingevuld. En je kent de regels: zonder overlijdenspapieren kom je het mortuarium niet in. Zelfs niet als je dood bent…’

’Dan moet de verantwoordelijke dokter de overlijdenspapieren tekenen. Hoe moeilijk kan dat zijn?’

Herman keek ijzig kalm op hem neer.

’Het probleem is alleen dat nog geen enkele dokter weet dat ie dood is. En wat erger is, er is op dit moment ook geen dokter die überhaupt van zijn bestaan af weet. De dokters die wel van zijn bestaan afweten zijn nu allemaal vrij en liggen waarschijnlijk te slapen na de nachtdienst. En voordat ie formeel dood is verklaard, mag ie niet naar het mortuarium. Dat zijn nu eenmaal de regels van het ziekenhuis. En zoals je zelf altijd zegt: regels zijn regels, die zijn heilig, ze zijn er niet voor niets…’

Er viel een ongemakkelijke stilte. Herman stond voor het bureau van Kees en keek minzaam op hem neer, de armen demonstratief voor zijn borst gevouwen, de wenkbrauwen gefronst, de mond met de smalle lippen als een smalle streep. Onaantastbaar. Ongenaakbaar.

Kees wilde een laatste opmerking maken, een opmerking die Herman niet zou kunnen pareren, maar er viel hem niets in waarvan hij zeker wist dat hij niet opnieuw een antwoord zou krijgen dat hem nog verder in het nauw zou drijven. Hij deed nog een laatste wanhopige poging.

’Dan moet je de dienstdoende dokter van gisteravond maar bellen en hem vragen of hij de overlijdenspapieren komt tekenen.’ De wenkbrauwen van Kees gingen even iets omhoog, en hij pareerde onmiddellijk:

’Dat lijkt mij niet iets wat ik moet regelen. Ik ben verpleegkundige, weet je nog? Ik verpleeg mensen. Deze man is niet in mijn dienst doodgegaan, ik ken hem niet, ik heb hem niet verpleegd en bovendien kan ik hem niet dood verklaren.’

Herman haalde diep adem, voorafgaand aan het volgende salvo.

’Jij bent het hoofd, dus ik denk toch echt dat dit jouw verantwoordelijkheid is. Als jij nou eens een arts zocht die bereid is om te bevestigen dat deze man dood is, en ook de overlijdenspapieren invult, dan kan hij gewoon naar het mortuarium. Helemaal volgens de regels. Zoals het hoort.’

Herman grijnsde hem breeduit nog even toe. Op de gang hoorden ze het geratel van de brancard. De eerste patiënt werd al weer binnengebracht. Herman ontvouwde zijn armen en stak een hand op. Voor hem was dat de aanduiding dat het gesprek geëindigd was. ’Ik moet weer aan het werk. Ik hoor wel van je wanneer we de voorraadkamer weer in gebruik kunnen nemen.’

Herman liep de kamer uit, schielijk gevolgd door de vrouwelijke verpleegkundige.

Kees keek ze na. De dag was nog niet begonnen of hij had kreeg een probleem toebedeeld dat groter was dan hij kon overzien. Hij zou dit moeten regelen, maar waar moest hij beginnen? Hij vroeg zich even af hoe het in Godsnaam mogelijk was dat er een dode man in de voorraadkamer terecht was gekomen, maar concludeerde al snel dat het belangrijker was om zich af te vragen hoe hij zich van deze dode man kon ontdoen, en wel het liefst zo snel en geruisloos mogelijk.

Maar hoe?



Hoofdstuk 2.

Het was half negen toen Van Woerden op wilde staan, maar het lukte hem niet om recht op te gaan zitten. Er schoot een vlammende pijn door zijn rechter lies, en hij viel achterover terug op het bed. Hij probeerde nog een keer rechtop te komen. Het ging niet. Opnieuw schoot de felle pijn door zijn lies, zo hevig dat hij er misselijk en draaierig van werd. Er zat niets anders op dan te wachten totdat Anne kwam, de medewerkster van de thuiszorg. Zij zou pas om negen uur komen, daar zou hij op moeten wachten. Hij draaide zich voorzichtig op zijn zij, en sloot zijn ogen, maar het slapen lukte niet meer. Angst sloop zijn hoofd binnen. Als hij niet meer zelf uit bed kon komen, kon hij niet langer thuisblijven. Maar hij wilde absoluut niet naar het verpleeghuis. Hij had gehoopt dat hij thuis zou sterven, iedere ochtend dat hij zijn ogen opende realiseerde hij zich teleurgesteld dat de Dood hem nog niet wilde. Hein had blijkbaar geen plezier in zijn werk als mensen al te graag gehaald wilden worden.

Hij schrok wakker van het geluid van een sleutel die in een slot werd omgedraaid. Blijkbaar was hij toch weer even weggedommeld. Hij hoorde hoe Anne de zware eigenhouten voordeur opende. Anne was een lieve vrouw van in de vijftig. Ze vormde het dagelijkse hoogtepunt in het tweetal ruime halve uurtjes die ze op de doordeweekse dagen bij hem was. Regelmatig kwam ze ook in het weekend even langs voor een kopje koffie, als ze niet hoefde te werken. Hij probeerde zo vaak mogelijk ’s ochtends al aan de keukentafel te zitten als ze kwam, als het even kon met een kopje koffie voor haar en voor hemzelf, waarna zij hem hielp met wassen en aankleden. Daarna maakte zij een ontbijt voor hem en als er tijd over was dronken ze samen nog een kopje koffie, maar om uiterlijke vijf-over-half-tien moest ze naar het volgende adres, en was hij weer alleen in het grote herenhuis. ’s Middags kwam ze nog een keer langs om het middageten voor hem te maken.

’s Avonds kwam een andere verzorgster die hem hielp met uitkleden en hem naar bed hielp, maar dit was steeds iemand anders. Verder kwam er nog twee keer in de week een verpleegster die hem douchte en de medicatie voor hem klaarzette, maar dit waren meestal nog jonge meisjes, en steeds weer andere. Hij kon hun namen niet onthouden, sprak de meisjes regelmatig aan met de verkeerde naam, en ook was het al gebeurd dat hij dacht dat hij iemand al eerder had gezien, terwijl het meisje hem dan vertelde dat ze echt voor het eerst was. Hij troostte zich met de gedachte dat al deze meisjes op elkaar leken, en dat hij ze daarom niet meer uit elkaar kon houden, en dat het niets met zijn aftakelende geheugen te maken had.

Hij hoorde de opgewekte stem van Anne.

’Meneer van Woerden, goedemorgen!’

Hij zei niets. Hij hoorde de deur van de gang naar de keuken opengaan.

’Meneer van Woerden?’

Hij hoorde het klakken van haar hakken op de houten vloer in de keuken en hoorde de deur van de bijkeuken opengaan.

’Meneer van Woerden, ligt u nog in bed?’

De deur naar de slaapkamer ging open. Het felle TL-licht uit de bijkeuken deed pijn aan zijn ogen en hij kneep zijn ogen dicht. ’Meneer van Woerden, nog in bed? Wat scheelt er aan?’ Van Woerden zuchtte diep en deed langzaam zijn ogen weer open om ze geleidelijk aan het licht te laten wennen.

’Het lukt me niet om op te staan. Als ik het probeer schiet het me in mijn lies. En ik ben vreselijk duizelig als ik probeer rechtop te komen.’

Hulpeloos keek hij naar Anne, terwijl hij beide armen met een vragend gebaar voor zich uit strekte.

’Zullen we eens voorzichtig proberen om u op de rand van het bed te zetten?’

Anne keek hem gemaakt vrolijk maar vooral bezorgd aan. Ze reikte hem haar twee handen om hem rechtop te trekken, en langzaam kwam hij met haar hulp overeind, maar hij werd opnieuw duizelig en misselijk. Uiteindelijk lukte het hem om zijn benen over de bedrand te slaan. Hij keek Anne met een paniekerige blik in de ogen aan.

’Het gaat niet…’

’Moet ik de huisarts bellen?’

Het bleef even stil en Van Woerden betastte met de hand zijn lies. De pijn leek wat weg te ebben. Hij wilde absoluut niet naar het ziekenhuis. Dat betekende een urenlang verblijf op de spoedeisende hulp in een oncomfortabel bed, met veel te jonge dokters, sommigen jong genoeg om zijn achterkleindochter of -zoon te kunnen zijn. Hij had het met Roos al te vaak meegemaakt:

’Nee…, het gaat zo wel weer, denk ik. Als ik eerst maar eens op een stoel zit, daarna kunnen we wel verder zien.’

Met de hand op de lies gedrukt en de arm van Anne onder zijn andere arm lukte het hem uiteindelijk om op te staan. Zijn lies stak hevig, hij was nog steeds duizelig, maar met hulp van Anne strompelde hij naar de keuken en liet zich voorzichtig vallen op een stoel. Het was een grote, brede eikenhouten stoel met een stevige maar zachte zitting en houten leuningen met daarop brede kussens. Die had hij zich enkele jaren geleden aangeschaft, omdat hij er een dutje op kon doen zonder van de stoel te vallen, zoals al enkele malen was gebeurd. Bovendien kon hij er gemakkelijk van opstaan. ’Hè, hè…, dat is alvast gelukt’, zei hij met een van pijn verwrongen lachje terwijl hij Anne aankeek.

Ze keek bezorgd: ’Weet u wel zeker dat het goed met u gaat?’

Hij knikte:’Ja… Goed genoeg om niet meer naar het ziekenhuis te willen. Doe me eerst maar een kopje koffie. Morgen zet ik weer een kopje voor jou.’


Anne zette koffie en schonk hem een kopje in, maar hij durfde het kopje niet te pakken. De geur van de koffie maakte hem misselijk, en hij merkte dat zijn handen meer trilden dan normaal. Uiteindelijk nam hij een slokje van de koffie, maar hij verslikte zich en hoestte de koffie over de tafel. De koffie druppelde over zijn kin op de mouw van zijn ochtendjas. Anne haalde een nat doekje en maakte de tafel schoon, en boende de mouw van zijn ochtendjas.

Hij zag nu al op tegen de volgende dag. Dan zou er een jonge verpleegkundige komen die hem hielp bij het douchen. Daarna was hij vaak zo moe dat hij de rest van de dag tot niets meer kwam. Hij had jaren geleden een slaapkamer en badkamer op de begane grond aan de achterkant aan het oude herenhuis laten bouwen, waar hij nu al meer dan 50 jaar woonde. Desondanks zag hij als een berg op tegen de wasbeurten. Hij vond het vreselijk om op het douchestoeltje plaats te moeten nemen om zijn rug en zijn voeten door verpleegkundige te laten wassen. Hij haatte de aanblik van zijn te dunne, bijna doorzichtige benen, de rood-blauw verkleurde voeten en de verkruimelde geelbruine nagels. Zijn huid, bleek en gerimpeld, zakelijk strakgetrokken door de verpleegkundige om zijn liezen en oksels goed te kunnen wassen. Het litteken van zijn knieprothese dat als een miniatuur van de Chinese muur over zijn rechter bovenbeen, knie en onderbeen kronkelde door een ruig landschap van spataderen, wratjes en blauwe vlekken. Hij zag er steeds meer tegenop, vooral omdat hij zich schaamde om zijn naakte, bleke en aftakelende lichaam aan een jonge vrouw in de bloei van haar leven te moeten laten zien. Hij merkte de subtiele afkeer die sommige verpleegkundigen van zijn lichaam hadden als hij door hen werd gewassen, voorzichtig maar met een zakelijke afstandelijkheid. Niets van zijn lijf was meer de moeite waard was voor het vrouwelijk geslacht.


De stem van Anne haalde hem uit zijn gepeins: ’Zal ik een kopje thee voor je maken? Koffie is nu misschien niet zo’n goed idee.’

Hij knikte. Even later stond er een vers gezet kopje thee voor hem op tafel. Anne liep naar de brievenbus om de krant te halen, en legde deze naast het kopje thee op tafel. Hij las al maanden alleen nog de koppen van de krant, hij had geen interesse meer voor wat zich in de wereld afspeelde. Hij maakte geen deel meer uit van deze wereld, maar was hier per abuis in achtergelaten. Hij nipte voorzichtig van zijn thee, het trillen van zijn handen was iets minder geworden. Hij deed nog een extra schepje suiker in de thee. Voorlopig zat hij hier goed. En al voelde hij zich vies en al zaten er koffievlekken op zijn ochtendjas en pyjama, hij kon het hier wel even uithouden. De pijn in de lies was gelukkig wat afgezakt. Hij keek door de glazen deur de tuin in, maar door de regendruppels op het glas zag hij alleen maar wazige contouren van bomen en struiken. Hij voelde zijn ogen langzaam zwaar worden. Met een gevoel van warmte en vermoeide loomheid deed hij ze dicht en voelde een gevoel van warmte en rust in zich neerdalen. Even later zakte zijn kin op de borst en hij begon zacht te snurken.


Toen hij ontwaakte zag hij wazig en hij moest enkele keren met zijn ogen knipperen om weer scherp te kunnen zien. Hij keek om zich heen en zag op de keukenklok dat het bijna twaalf uur was. Buiten was het licht, en dus moest het nog net ochtend zijn. Hij keek om zich heen om greep op zijn geheugen te krijgen.

Er stonden twee kopjes op het aanrecht, een koffiekopje en een theekopje. Hij had in zijn slaap gekwijld en het speeksel was op de revers van zijn ochtendjas gelopen. Hij probeerde het met zijn mouw af te vegen, maar daardoor ontstond er nu ook nog een vieze vlek op de mouw van de ochtendjas. Hij had het koud en rilde. In zijn slaap had hij de benen onder de stoel getrokken en nu voelden zijn voeten aan als ijsklompen. Het was stil in het oude huis en hij was zich pijnlijk bewust van het feit dat hij alleen was. Het was twaalf uur en Anne was al lang vertrokken. Ze had hem waarschijnlijk niet wakker willen maken. Buiten regende het nog steeds zachtjes, en de regendruppels op het raam van de keuken veranderden zijn achtertuin in een vaag begrensde mozaïek van planten, bomen, bemost gazon, en een groen uitgeslagen houten tuinset.

Langzaam schoof hij de zware eikenhouten stoel naar achteren. De pijn schoot weer door zijn lies, en ook zijn knieën deden pijn. Zijn voeten begonnen te tintelen. Waar was zijn rollator? Het liefst liep hij zonder rollator, maar dit lukte hem buitenshuis niet meer. Niet dat hij nog vaak buiten kwam, maar hij troostte zich met de gedachte dat hij dat in principe nog zou kunnen als hij dat zou willen. Om er niet constant aan herinnerd te worden dat hij dit extra paar benen, vermomd als enkele buizen aluminium, een plastic zitje en een viertal zwenkwielen, nodig had, liet hij het ding in de ruime hal staan. Zodat hij de illusie kon koesteren dat hij in ieder geval binnenshuis nog de vrijheid had om zich zonder enig hulpmiddel te verplaatsen.

Hij probeerde op te staan, maar zijn benen weigerden dienst. Hij voelde enkele koude zweetdruppeltjes parelen op zijn voorhoofd. Hij probeerde het nog een keer, nu met zijn handen om de tafel geklemd om zich daarmee op te trekken. Het ging niet. Hij draaide met zijn achterwerk en probeerde nu met een hand op de tafel en de andere op de leuning van de stoel zichzelf omhoog te duwen. Bij de tweede poging lukte het. Hij stond. Zijn knieën knikten en beiden armen trilden, maar hij stond. Hij kon een verwrongen grijns niet onderdrukken. De strijd met de zwaartekracht had hij alvast gewonnen. Hij verplaatste zijn ene hand van de leuning van de stoel naar de tafel. Hij keek naar het andere eind van de lange, zware houten ontbijttafel. Als hij nu met beide handen op de tafel steunde, kon hij in ieder geval het einde van de tafel halen. Vanaf daar was het slechts een viertal meters naar de deur van de huiskamer. Dat zou moeten lukken.

Voorzichtig schuifelde hij langs de tafel, beurtelings zijn handen en voeten verplaatsend. Hij werd opnieuw duizelig, zijn hart bonsde hevig en hij zuchtte diep, maar het ging. Na enkele minuten was hij aangeland bij het einde van de tafel. Hij keek van zijn handen en voeten naar de kamerdeur, zoals hij vroeger de afstand inschatte bij het Jeu de Boulen. Nu moest hij zichzelf als het ware in de kamer werpen. Zou hij eerst even gaan zitten, om zich voor te bereiden op de grote oversteek? Hij grinnikte in zichzelf. Zelfs een afstand van een zestal meters van de keuken naar de kamer vergde tegenwoordig een nauwkeurige voorbereiding. De stoel aan het hoofdeinde van de tafel zag er uitnodigend uit, maar hij was er niet zeker van of het hem zou lukken om nog een keer op te staan als hij een tussenstop nam. Nee, het besluit stond vast, hij moest meteen door. Meteen na de kamerdeur stond de grote fauteuil waarin hij ’s avonds TV keek. Als hij daar aankwam, was voor nu het doel bereikt.

Hij rechtte zijn rug en probeerde zonder steun van zijn handen rechtop te gaan staan. Dat lukte even, maar daarna duizelde het hem en moest hij zich vastgrijpen aan de tafel. Zijn benen bevonden zich ergens beneden hem, maar zijn oude onderdanen weigerden hem te informeren waar ze uithingen, en muitten tegen de bevelhebber. Hij probeerde het nog een keer. Nu lukte het. Hij durfde niet naar zijn voeten te kijken, bang om daarmee zijn evenwicht te verliezen. Hij draaide zich een kwartslag en had nu de fauteuil recht in het vizier. Nu de ene voet vooruit, dan de andere voet, verdomd, het lukte, verder met de ene voet, nog zeven stappen, nog zes… Als een dronkeman zwaaiend met zijn armen, de ouwe krakende stelten die dapper standhielden gestrekt onder zijn lijf, de vlammende pijn in zijn lies, nog drie stappen, nog twee… Hij reikte met zijn handen naar het fauteuil, en viel tegen de brede gestoffeerde leuning, zoals iemand zijn lief in de armen valt nadat die hij te lang niet heeft gezien.. Het volgende moment hing hij met beide armen over de leuning, zuchtend, trillend en bevend. De koude zweetdruppels liepen over zijn voorhoofd. Nu eerst op adem komen, daarna kon hij de laatste horde nemen, het rondje om de fauteuil.

Dat laatste stukje zou gemakkelijker moeten zijn. Hij duwde zichzelf omhoog met de handen op de leuning en schuifelde om de stoel heen, voorzichtig beurtelings zijn handen en voeten verplaatsend. Dat ging goed. Na een paar stapjes met zowel de handen als voeten stond hij voorovergebogen aan de voorkant van de grote en brede stoel. Nu hoefde hij zich alleen nog maar om te draaien. Hij liet de rechter hand los van de leuning, en zette deze naast zijn andere hand op de andere leuning, en draaide zich langzaam om. Het rechter been zette hij voor zijn linker, nu hoefde hij alleen nog zijn linker been terug te trekken en kon hij daarna gaan zitten. Maar op het moment dat hij op zijn rechter been wilde omdraaien begaf zijn rechter been het. De rechter voet schoot weg over het gladde parket, hij voelde opnieuw de felle pijn in de lies, en wilde met het linker been nog naar een stap naar achter doen, maar het was al te laat. Even waande hij zich zwevend in het luchtledige, direct daarna viel hij gestrekt achterover, met zijn hoofd op de gemetselde rand van de verhoging voor de open haard.

Een hevige pijn schoot door zijn hoofd en nek, daarna voelde hij zijn lichaam warm worden alsof er een zachte deken over hem heen gelegd werd. Daarna werd het zwart voor zijn ogen en vervaagde het plafond. Langzaam sijpelde er bloed vanaf zijn achterhoofd over de stenen van de open haard, om daarna donkere gekronkelde adertjes te vormen op het visgraatparket.

3,066 keer bekeken10 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven