Zoeken
  • Jan B. Hommel

48 Uur - Hoofdstuk 3 & 4



Hoofdstuk 3

Anne opende de voordeur van het huis van meneer Van Woerden voor de tweede keer die dag. Het was vijf over èèn ’s middags, en ze was al aan de late kant. Het regenen was opgehouden, maar de lucht was nog steeds onverbiddelijk grijs, alsof ze duidelijk wilde maken dat er vandaag verder niets goeds meer verwacht mocht worden. Ze stapte de donkere gang in, en deed haar jas uit. Ze hoopte dat hij nog op zijn comfortabele fauteuil zou zitten waar ze hem vanochtend had achtergelaten. Het was eigenlijk niet veilig dat Van Woerden nog thuis woonde, maar hij wilde absoluut niet naar het verpleeghuis. Kinderen had hij niet en zijn vrouw was 25 jaar geleden overleden, een maand nadat hij met pensioen was gegaan, zo had hij haar verteld tijdens de vele gesprekjes die ze in de afgelopen jaren bij de koffie ’s ochtends en ’s middags hadden. Ze kwam al ruim een 10 jaar ’s ochtends en ’s middags bij Van Woerden om hem te helpen bij het aankleden en om eten voor hem te maken. Een buurvrouw deed de boodschappen voor hem, en maakte het ontbijt en lunch voor hem als er geen thuiszorg beschikbaar was. Één keer in de twee weken maakte een nichtje de benedenverdieping schoon.

Meneer van Woerden had hij benoemd dat hij het genoeg vond. Zakelijk en afstandelijk. Hij hoopte simpelweg op een ochtend niet meer wakker te worden. Vanochtend had ze gedacht dat dit was gebeurd, en ze merkte een mengeling van blijdschap, teleurstelling en medelijden toen ze hem alsnog levend aantrof in bed.

Anne liep door de gang naar de keuken in. De fauteuil waarin ze Van Woerden achter had gelaten was leeg. Zou hij weer naar bed zijn gegaan? Ze liep door naar de slaapkamer, maar het bed dat ze die ochtend nog even snel had opgemaakt, zag er nog precies zo uit als ze het had achtergelaten. Ze krabde zich achter de oren. “Meneer van Woerden?” Geen antwoord. Ze liep terug naar de keuken en zag dat de deur van de keuken naar de woonkamer open was. Die zat vanochtend nog dicht toen ze wegging. De gordijnen van de woonkamer waren ook nog steeds dicht. Ze liep langs de eettafel naar de woonkamer. “Meneer van Woerden??” Opnieuw geen antwoord.

Pas toen zag ze door de geopende deur tussen de keuken en de kamer de twee blote voeten van meneer van Woerden die net voorbij de fauteuil bleek afstaken tegen de donkere parketvloer. Haar hart bonsde in haar keel toen ze verder liep. Meneer van Woerden lag op de grond, zijn bleke hoofd omgeven door een krans van gestold bloed, de haren als spinrag slap gespannen tussen het hoofd en het bloed op de vloer. Ze voelde zijn pols en zag dat hij ademde, maar verder deed hij niets.

Anne ging zitten in de fauteuil en keek naar meneer Van Woerden. Ze zou iets moeten doen, al wist ze heel goed dat hij niets meer zou willen. Ze wist ook dat als ze 112 zou bellen dat meneer Van Woerden onherroepelijk naar het ziekenhuis zou worden gebracht, en dat zou hij zeker niet willen. Maar hij kon hier ook niet op de grond blijven liggen. Ze stond op en pakte het stapeltje papieren naast de TV, waar ook een folder moest liggen van de huisartsenpraktijk. Inderdaad lag in de stapel de folder van de huisarts, met daarop het nummer van de huisartsenpraktijk. Ze draaide het nummer en wachtte. Er klonk een verveelde stem van een vrouw op een bandje door de telefoon.

’Dit is de huisartspraktijk van dr. Vree en dr. De Smet. Voor levensbedreigende aandoeningen kiest u 1…’

Anne drukte de 1 in en wachtte.

Er klonk een klik, wat gerommel, zacht gepraat op de achtergrond.

’Met de spoedlijn van dr. Vree en dr. De Smet’, klonk de opgewekte stem van de huisartsassistente aan de andere kant van de lijn. ’Wat kan ik voor u doen?’

’Hallo, mijn naam is Anne de Vries, ik ben verzorgende bij de thuiszorg, en ik zit bij meneer Van Woerden thuis. Hij is gevallen, en hij ligt hier nu bewusteloos op de grond. Ik wil graag dat de huisarts nu komt!’

Anne hoorde hoe de huisartsassistente tikken op een toetsenbord.

’Wat is zijn geboortedatum?’

Anne gaf de geboortedatum van meneer Van Woerden door. Weer hoorde ze de assistente driftig tikken.

’Meneer van Woerden, Rozenlaan 5?’

’Ja.’

’Zijn huisarts, dr. De Vree, is helaas op een cursus Medical Leadership. De spoeddienst zou worden waargenomen door zijn waarneemster, dr. De Smet, maar zij is net naar huis gegaan omdat haar zoontje plotseling ziek is geworden. Zou u dr. De Boer willen bellen van de huisartsenpraktijk Hanzelaan? Die zou in het geval van spoedgevallen voor haar inspringen.’


Meneer Van Woerden bewoog zijn hoofd en kreunde. Hij sloeg de ogen op, maar zag alleen een wit waas. Hij had hevige pijn in zijn nek en pijn in zijn achterhoofd. Zijn handen en voeten tintelden. Hij probeerde zijn benen op te trekken, maar op een of andere manier weigerden zijn oude onderdanen nu helemaal dienst. Hij knipperde een aantal keren met de ogen, en langzaam realiseerde hij zich dat hij naar het plafond van zijn eigen huiskamer keek. Hoe was hij hier terecht gekomen? Hij meende de stem van Anne te horen, maar wat deed zij in zijn huis terwijl hij hier in de huiskamer op de grond lag? Hij herinnerde zich vaag dat ze die ochtend bij hem was, en hij herinnerde zich ook dat hij wakker was geworden aan de eettafel met steenkoude voeten. Maar wat er daarna gebeurd was verdwenen in een dikke grijze mist, hij kon het zich niet herinneren. En zijn voeten voelden nu niet koud meer, maar prikkelden alleen maar.

’Maar er is toch nog een huisarts bij jullie in de praktijk?’, vroeg Anne verbaast.

’Ja, normaal gesproken wel, maar nu even niet omdat het zoontje van de waarneemster ziek werd. Onvoorziene omstandigheden. Vandaar dat huisarts De Boer van huisartsenpraktijk Hanzelaan nu even waarneemt voor onze praktijk. U zult dus echt even moeten bellen met de huisartsenpraktijk Hanzelaan. Of u moet 112 bellen, dan is er heel snel hulp.’

’Als ik 112 bel wordt hij naar het ziekenhuis gebracht en ik denk dat meneer Van Woerden helemaal niet meer naar het ziekenhuis wil.’

’Dan moet u toch echt even met de praktijk in de Hanzelaan bellen.’

Anne zuchtte; het was inmiddels al vijf-voor-half-twee, en om uiterlijk vijf-over-half-twee zou ze naar haar volgende client moeten. Maar ze kon hem toch zo niet laten liggen?

’Heeft u een nummer van de praktijk Hanzelaan?’

’Dat kunt u vinden op de website, www.praktijkhanzelaan.nl.'

Ze sprak het webadres nadrukkelijk uit. In de stem van de assistente leek subtiel enig ongeduld door te klinken, of was het irritatie?”

’Maar ik heb hier geen internet.’

’Sorry mevrouw, maar ik kan u het nummer niet geven, ik heb het helaas niet bij de hand. U bezet de spoedlijn, meneer Van Woerden wil blijkbaar niet naar het ziekenhuis, en ik moet de lijn vrij houden voor andere spoedgevallen. Ik wens u een prettige dag verder.’

Anne hoorde een klik en de verbinding werd verbroken.

’Anne?’

Zachtjes en met een gebroken stem sprak meneer Van Woerden haar naam.

’Meneer van Woerden!’

Anne stond op en liep naar hem toe en knielde naast het hoofd van meneer Van Woerden.

’Wat is er gebeurd?’

’Ik weet het niet.’

Flarden van wat er gebeurd was spookten door zijn broze geheugen, langzaam regen de herinneringen zich aaneen. Hij was opgestaan, had een heftig stekende pijn in de lies en was… Vreemd genoeg voelde hij nu alleen het tintelen en prikkelen in zijn handen en voeten, zonder dat hij de pijn in de lies nog voelde. Wel voelde hij hevige pijn in de nek en op zijn achterhoofd.

’Ik ben blijkbaar gevallen.’

’Ik heb u toch al vaker gezegd dat u met de rollator moet lopen.’

Anne keek hem met een bezorgde en enigszins verwijtende blik aan. Meneer Van Woerden ontweek haar blik.

’Ik kan mijn armen en benen niet bewegen.’

Anne keek naar zijn benen en zag dat er een donkere vlek in zijn pyjamabroek zat. Blijkbaar was hij ook incontinent.

’Zal ik dan maar 112 bellen?’

’Nee!’ Hij zei het, schreeuwde het haast.

’Ik wil niet naar het ziekenhuis!’

’Maar u kunt hier toch ook niet blijven liggen.’

Hij keek voorbij Anne naar de muur, met gefronste wenkbrauwen, op zoek naar iets of iemand die hij de ontstane situatie zou kunnen verwijten.

Het wàs hopeloos. Hij kon hier inderdaad niet blijven liggen. De Dood had blijkbaar nog geen zin in hem, maar had hem al met Zijn Zeis wel de benen onder zijn gat weggemaaid.

Hij zuchtte uiteindelijk en schikte zich naar de situatie.

’Nee… Je hebt gelijk. Ik kan hier ook niet blijven liggen…’

’Ik heb uw huisarts gebeld, maar uw eigen huisarts is op cursus, iets met Medical Leadership.’

Er verscheen een wrang glimlachje op het gezicht van meneer Van Woerden.

Medical Leadership…

In de laatste jaren voor zijn pensionering waren dergelijke cursussen in zwang gekomen. De dokters met hart bij patiëntenzorg moesten over het algemeen niets hebben van dit soort gelikte managementcursussen met dergelijke ronkende titels. Steeds kreeg hij folders thuisgestuurd, nota bene ook van de eigen overkoepelende medische vereniging, met op de voorkant knappe, rijkelijk opgemaakte en veel te jonge vrouwen in een mantelpakje of knappe mannen van middelbare leeftijd in een snedig pak, met grijzende slapen, de witte doktersjas open en niet zelden een stethoscoop om de nek. Alsof er nog dokters bestonden met een stethoscoop om de nek. Ze lachten de argeloze lezers fris en fruitig toe, om in de folder te vertellen hoe ze hun vak verrijkt hadden met deze of gene cursus met als titels als ”Medical Leadership - Doctors in Control. Of: ”Practical Medical Leadership - Hoe Uw Team te Motiveren en Richting te Wijzen.’ In werkelijkheid was het een van de ontsnappingsroutes voor uitgebluste, ongeïnteresseerde of domweg voor patiëntenzorg ongeschikte dokters om zonder al te veel gezichtsverlies de patiëntenzorg te verlaten en zich te voegen bij het almaar uitdijende leger van docenten, begeleiders, coaches, zorgmanagers en zorgbestuurders. Alles voldeed, zolang de patiënt maar uit zicht bleef. Een oude wijze collega van Van Woerden had al eens een alternatieve pakkende titel voor dergelijke cursussen bedacht: ”Medics Leaving the Sinking Ship - Waar Vind ik in Godsnaam de Uitgang uit het Medisch Gesticht?”

De laatste keer dat hij zijn eigen huisarts zag was al weer enkele jaren geleden. Voor zijn milde suikerziekte kwam hij twee keer per jaar bij de diabetesverpleegkundige. Zijn hart werkte ook niet helemaal naar behoren had de huisarts gezegd, en dus werd hij verwezen naar de cardioloog. Na een echo en ECG bevestigde de cardioloog wat de huisarts al dacht, en verwees hem naar de huisarts terug. Sindsdien bezocht hij langere tijd twee keer per jaar de hartfalenconsulente, totdat hij zich realiseerde dat hij juist hoopte dat zijn hart het zou begeven en dat de hartfalenconsulente in dit opzicht eerder een sta-in-de-weg zou zijn. Bovendien was het een bezoek zonder ontmoeting. De hartfalenconsulente mat een bloeddruk, vroeg hem of hij benauwd was, maakte een hartfilmpje en duwde even op zijn onderbenen en voeten. Daar bleef het bij, daarna kon hij weer gaan.

Zijn voeten werden vier keer per jaar bekeken door de podoloog in verband met zijn milde suikerziekte, totdat hij ook hier voor bedankte, alleen al omdat zijn voeten wel de minste van zijn zorgen waren. Hij had regelmatig last van obstipatie, en hiervoor had de huisarts de hulp ingeschakeld van de obstipatieconsulente. Hij kreeg voedingsadviezen, die zo ingewikkeld waren dat hij deze nooit had opgevolgd, te meer omdat hij het warme eten kreeg van een nabijgelegen restaurantje dat ook maaltijden bereidde voor mensen die dat zelf niet meer wilden of konden doen. Daarna had hij een zakje poeder gekregen dat hij op moest lossen in water maar dat was zo smerig dat hij zijn obstipatie voor lief nam. De zakjes had hij in de vuilnisbak gegooid.

Tijdens het laatste bezoek aan de obstipatieconsulente had zij hem voor het eerst gevraagd hoe het eigenlijk met hem ging. Hij was verrast en voordat hij het wist had hij haar verteld hij dat hij zich vaak somber voelde, dat hij nauwelijks meer buiten kwam, dat hij erg moeilijk liep en dat de weinige vrienden die hij nog had vrijwel allemaal dood of dement waren. Nadat de obstipatie consulente overleg had gehad met de huisarts, had deze hem verwezen naar de consulente levensfaseproblematiek. Daar was hij ook daadwerkelijk geweest, maar de afspraak bleek niet bij de juiste consulente te zijn gepland. Hij zat bij de consulente levensfaseproblematiek van 51-70 jaar, en zoals deze consulente hem uitlegde, op die leeftijd speelde andere problematiek dan in de levensfase van 71-90 jaar, de categorie patiënten waartoe hij behoorde. En ze wilde hem wel een afspraak geven bij deze consulente, maar helaas stond de vacature voor deze leeftijdsconsulente die deze levensfase moest begeleiden al een tijdje open.

Blijkbaar was de belangstelling voor deze levensproblematiek minder groot, had hij met enig cynisme gedacht. Of onoplosbaar, dat kon natuurlijk ook. Het beste was dan ook om maar gewoon dood te gaan, was zijn conclusie, maar dat bleek minder eenvoudig als het leek.

Hij zag tijdens deze afspraken zijn huisarts wel eens lopen, tenminste, dat dacht hij, maar helemaal zeker was hij er niet van. Er waren twee mannen in de gezondheidscentrum die erg op elkaar leken, een van hen was de huisarts, de andere blijkbaar een fysiotherapeut, en als hij een van hen zag, wist hij niet zeker of het nu zijn huisarts was of de fysiotherapeut. Hij durfde echter niets te zeggen over zijn zicht, bang als hij was dat hij dan ook nog naar de optometrist zou worden verwezen die ook praktijk hield in het gezondheidscentrum. Hij had een klein leesbrilletje, en dat vond hij wel voldoende. Hij kon er zijn boeken mee lezen en dat was genoeg.


’De huisartsenpraktijk aan de Hanzelaan neemt waar voor dr. De Vree. De Vree heeft een waarneemster die eigenlijk dienst had, maar ze is al naar huis omdat haar zoontje ziek was geworden. De huisarts aan de Hanzelaan neemt het nu even over. Zal ik die dan maar bellen?’

Anne keek meneer Van Woerden aan, en wachtte op zijn antwoord. Meneer Van Woerden wendde zijn blik af en antwoordde niet. Hij probeerde nogmaals zijn benen op te trekken, maar er was blijkbaar geen verbinding meer tussen zijn hoofd en zijn benen. Hij keek naar zijn linker hand en probeerde zijn vingers te bewegen. Alleen zijn linker duim gaf gehoor aan het bevel en boog zich op commando, overigens zonder dat hij merkte dat de duim het bevel uitvoerde. Het was een vreemde gewaarwording om te merken dat hij alleen zag dat zijn duim bewoog, maar dat diezelfde duim het verder niet nodig vond om hem daarvan op welke wijze dan ook van op de hoogte te stellen.

Anne stond op en liep naar de telefoon om haar leidinggevende te bellen. Ze kon hem in ieder geval niet zo achterlaten, en de andere cliënte zouden moeten wachten of door haar collega’s overgenomen worden. Het was inmiddels ruim over tweeën. Daarna zocht ze in het telefoonboek het nummer van de huisartsenpraktijk aan de Hanzelaan. Opnieuw nam ze de telefoon op en opnieuw meldde zich een bandje, nu met de stem van een strenge vrouw die nadrukkelijk formuleerde, afgewisseld met het geritsel van een briefje.

’Dit is de huisartsenpraktijk Hanzelaan. Er volgt een keuzemenu. Als er sprake is van een levensbedreigende situatie, kies…’

Anne wachtte het verdere verhaal niet af en drukte op de 1.

Opnieuw dezelfde strenge stem: ’U wilt een afspraak maken met de huisarts.’ Blijkbaar had ze een ander nummer moeten kiezen bij deze praktijk, de 1 stond blijkbaar niet voor spoed.

’Blijft u aan de lijn, u wordt zo spoedig mogelijk geholpen.’

Na vijf minuten werd opgenomen en klonk dezelfde strenge stem als op het bandje.

’Met de praktijk Hanzelaan, wat kan ik voor u doen?’

Het klonk meer als een commando dan als vraag.

’Hallo, mijn naam is Anne de Vries, ik ben een medewerkster van de thuiszorg, en ik zit bij een client thuis. Hij is gevallen.’ De hele procedure herhaalde zich, Anne gaf de gegevens door en hoorde het getik op het toetsenbord op de achtergrond.

’Er is geen meneer Van Woerden op de Rozenlaan 5 bekend in onze praktijk.’

De stem van de assistente klonk nog strenger dan op het bandje.

’Dat klopt, het is een patiënt van dr. De Vree, en jullie praktijk neemt voor hem waar vanmiddag.’

Het bleef even stil, Anne hoorde geritsel op de achtergrond.

’Waarom zegt u dat dan niet?’

’Die kans heb ik nog niet gehad.’

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn.

’En wat is er met meneer Van Woerden?’

’Hij is gevallen in de huiskamer en kan armen en benen niet bewegen. En hij bloedt uit een wond op zijn achterhoofd.”

Anne zuchtte onhoorbaar.

’Waarom belt u 112 dan niet?’

’Omdat meneer Van Woerden niet meer naar het ziekenhuis wil, hij is 87 jaar. Hij wil geen gedoe meer.’

’Tja, als meneer Van Woerden niets wil moet hij wachten op de huisarts. Die is nu nog bezig met zijn spreekuur en heeft pas na zijn spreekuur tijd om bij hem langs te gaan. Kan meneer Van Woerden niet naar de praktijk komen?’

’Dat is wat lastig als je je armen en benen niet kunt bewegen.’

Anne voelde dat ze rood werd van ergernis. Weer bleef het een tijdje stil aan de andere kant van de lijn. Anne hoorde wat onverstaanbaar geroezemoes op de achtergrond, en vervolgens zei de assistente met iets minder bitse stem: ’Ik ga overleggen met de huisarts.’

Anne wachtte. Het getik van de grote staande klok drong nu pas tot haar door, alsof de klok wilde zeggen dat er kostbare tijd verloren ging. Ze keek naar meneer van Woerden, die nog in precies dezelfde houding op de grond lag en duidelijk verbaasd naar de bewegingen van zijn linker duim keek. Ze liep naar de slaapkamer, haalde een kussen en knielde opnieuw naast meneer Van Woerden. ”Zal ik het kussen onder uw hoofd leggen, dan ligt u wat gemakkelijker.” Zwakjes knikte meneer Van Woerden. Ze tilde voorzichtig zijn hoofd op, maar meneer Van Woerden vertrok zijn gezicht van pijn. Voorzichtig frommelde ze het kussen onder zijn hoofd. In de verte hoorde ze ”Hallo, hallo?” Snel stond ze op en liep terug naar de telefoon.”

”Ja, zegt u het maar.”

”Ik heb de huisarts gesproken, en hij vind dat meneer Van Woerden naar het ziekenhuis moet, en dat het geen zin heeft dat hij eerst komt kijken. Ik zal de ambulance voor u bellen.”

”Ja, maar…”

Ze kreeg niet de kans om uit te spreken. De assistente vervolgde haar toespraak:

”Andere opties zijn er helaas niet. De huisarts heeft nu geen tijd. Ik ga 112 voor u bellen, binnen een half uur is er een ambulance ter plaatse. Kunt u de voordeur opendoen? Veel sterkte!”

De assistente hing op.

Hoofdstuk 4

Na het gesprek met de verpleegkundigen had Kees even overwogen om een kijkje te nemen bij de dode man in de voorraadkamer naast hem, maar hij had dit idee onmiddellijk weer verworpen. Hij had een hekel aan alles wat met ziekte te maken had, altijd gehad. De dood was voor hem de ultieme uiting van ziekte, het slotakkoord waar hij liever niet aan herinnerd werd. Bovendien maakte het niets uit voor wat hem te doen stond, en dat was er voor zorgen dat de dode man zo snel mogelijk naar het mortuarium gebracht kon worden, voordat…

Hoe lang zou het eigenlijk duren voordat een lijk begon te stinken?

Daarna had hij zijn gebruikelijke dagelijkse routine opgepakt en was naar het bezoekersrestaurant gelopen. Hij had een cappuccino en een verse jus d’orange besteld. Hij had wat gekeuveld met het meisje achter de kassa. Daarna was hij teruggelopen naar de SEH en had zich op zijn comfortabele bureaustoel genesteld om rustig te overdenken hoe hij dit varkentje ging wassen. Tijdens de wandeling naar het restaurant had hij al bedacht dat het uiteindelijk ook niet zijn probleem was. Als er iemand dood ging was dat tenslotte het probleem van de dokters en die zouden het dan ook moeten oplossen. Hij hoefde er alleen voor te zorgen dat een van de artsen de overlijdenspapieren tekende. Daarna kon de dode man worden afgevoerd. Wie dat zou doen was hem om het even. Zij waren verantwoordelijk voor de zorg voor patiënten, en nu hadden deze man dood laten gaan. Hij had er eigenlijk niets mee te maken, en als manager van de SEH was het niet zijn taak om er voor te zorgen dat een dode van de SEH verdween.

Wat had Herman ook al weer gezegd? Was het lijk voor de neurologie getrieerd? Dat bood in ieder geval perspectief. Kees pakte de telefoon op en draaide het nummer van de dienstdoende neuroloog van de avond ervoor. De telefoon ging lang over voordat er werd opgenomen.

Een ongeduldige stem klonk aan de andere kant van de lijn:

’Den Ouden, neurologie?’

’Met Kees, van de SEH.’ ’Kees…?’

’Ik ben het hoofd van de SEH.’

’Kennen wij elkaar dan?’

Er klonk enige wrevel in de stem van de neuroloog.

’Nee, ik geloof het niet…’

Kees wist zeker dat hij de hand van Den Ouden had geschud bij zijn aanstelling als hoofd van de SEH. Bovendien zat hij elke maand het overleg met de diverse medisch specialismen over het reilen en zeilen op de SEH voor. Niet dat deze bijeenkomst erg druk bezocht werd, maar hij wist bijna zeker dat hij Den Ouden daar ook wel eens had gezien.

’Bij deze dan… Kees, wat kan ik voor je doen?’

’Ik heb een klein probleem…”

Er ging een rilling over zijn rug. Nu gebruikte hij ook nog dezelfde term als die Herman die ochtend had gebruikt. Hij had ’een een klein probleem’.

’En dat is?’

”We hebben een dode meneer op de voorraadkamer van de schoonmakers.”

Het bleef lang stil aan de andere kant van de lijn. Op de achtergrond hoorde Kees verpleegkundigen praten. Uiteindelijk klonk opnieuw de stem van de neuroloog.

’Ja? Dat klinkt niet direct als iets waar ik nog veel aan kan doen. Als iemand dood is heeft mijn bemoeienis over het algemeen niet zo heel veel zin meer. Waarom bel je mij hiervoor?’

’U had toch dienst de afgelopen avond en nacht?’

’Ja, en?’

’Hij is in uw dienst overleden…’

Weer bleef het even stil. Kees hoorde dat de neuroloog de hand op de telefoon had gelegd en een onverstaanbare instructie gaf aan iemand aan de andere kant van de lijn. Daarna werd het geluid weer helder.

’Dat kan wel zijn, maar er overlijden wel meer mensen in mijn dienst. Mensen gaan nu eenmaal ook dood op momenten dat het minder goed uitkomt, zoals bijvoorbeeld tijdens mijn dienst. Ik zou wensen dat het anders was, maar as you know, life sucks and than you die. Het is niet anders. Wat is nu het probleem?’

’Patiënt is gisteren gekomen en is door de verpleegkundige getrieerd voor de neurologie.’

’En hoe komt die meneer dan dood op jullie voorraadkamer? Dat is over het algemeen niet waar ik mijn patiënten neer laat leggen.’

Op die vraag had Kees niet direct een pasklaar antwoord. Hij begreep het zelf ook niet en het interesseerde hem overigens ook niet in het bijzonder.

’Dat is de vraag, dat weet ik nog niet…’

’Wat moet ik dan met deze dode man? Waarom bel je mij daarover?’

Kees hoorde duidelijk de irritatie in de stem van de neuroloog.

’Het is een patiënt die gisteren naar de SEH is gebracht, en hij is daar om 15:30 aangemeld. De verpleegkundige heeft hem vervolgens getrieerd voor de neurologie, nadat hij was gezien door de SEH-arts en hij is uiteindelijk ook door de ANIOS van de neurologie gezien. Wat er daarna is gebeurd is niet helemaal duidelijk. Vervolgens lag hij vanochtend dood op onze voorraadkamer. Wat daar tussendoor gebeurd is weet ik niet, dat moeten we nog uitzoeken.’

Zodra hij dit uitgesproken had, had Kees al spijt. Waarom zei hij ”we”? Hij vormde immers geen onderdeel van het probleem? Het was het probleem van de neuroloog, of van de ANIOS neurologie, of van wie dan ook… Hoe dan ook, het was in ieder geval niet zijn probleem!

Nu bleef het langer stil aan de andere kant van de lijn. Kees hoorde wat geritsel van papieren.

’En hoe heet die patiënt dan wel?’

’Hij heet Van Woerden.’

’En wanneer zag meneer Van Woerden het levenslicht?’

’Als u zijn geboortedatum bedoeld…’

’Ja, die bedoel ik…”

De ergernis van de neuroloog stroomde nu in golven door de telefoon.

’Hij is geboren op 13 november 1933. Hij was 87 jaar.’

Het bleef even stil aan de andere kant van de lijn. De neuroloog schraapte zijn keel, kuchte, en Kees hoorde wat gemompel op de achtergrond.

’Dat is toch niet de oude neuroloog die hier vroeger gewerkt heeft? Die heette ook van Woerden, en die zal ook ongeveer zo oud zijn… Die heb ik nog net meegemaakt toen ik hier begon.’

Zo lang was Kees nog niet in het ziekenhuis,

’Ik heb werkelijk geen idee… Dat is van ver voor mijn tijd. Ik ben hier nog niet zo heel lang.’

’Ik kijk even op mijn patiëntenlijstje van de dienst…’

Weer hoorde Kees wat geritsel en gerommel aan de andere kant van de lijn, gevolgd door een harde tik. De neuroloog had de telefoon neergelegd. Hij hoorde wat gedempt gemopper wat hij niet kon verstaan, hij hoorde een verpleegkundige zachtjes lachen, er ging een telefoon af aan de andere kant van de lijn. Hij hoorde de neuroloog de telefoon opnemen en in de verte hoorde hij: ’Ja, Den Ouden hier… Nee, ik heb nu even geen tijd. Kan het even wachten? Dan bel ik je straks even terug.’

Weer geritsel, gevolgd door het gekras van de telefoon over een tafel, daarna werd de telefoon weer opgenomen:

’Er is geen Van Woerden met mij besproken gisteravond. Ik weet niets van het bestaan van een Van Woerden die voor mij zou zijn ingestuurd.’

Kees voelde dat zijn hoofd warm werd, en hij kneep in het papieren bekertje waar geen cappuccino meer in zat.

’Maar hij is wel voor u aangemeld, en hij staat op uw naam en is in uw dienst overleden.’

’Dat kan best zo zijn, maar als gezegd, er gaan wel meer mensen dood in mijn dienst zonder dat ze dat met mij overleggen. Over het algemeen vragen mensen niet mijn toestemming om dood te gaan. Ik weet niets van het bestaan van een meneer Van Woerden, hij is dus blijkbaar niet door de huisarts naar mij verwezen, en deze meneer is ook niet door de ANIOS neurologie met mij besproken, dus het is niet iemand waar ik verantwoordelijk voor ben.’

Kees sputterde tegen.

’Maar hij ligt hier dood op de voorraadkamer, en hij is niet geschouwd. En voordat hij naar het mortuarium mag, moet hij worden geschouwd en moeten de overlijdenspapieren worden getekend!’

’Ja, en? Hij ligt niet in mijn voorraadkamer, toch? Bovendien teken ik geen overlijdenspapieren voor patiënten voor wie ik niet verantwoordelijk ben. Het lijkt me dat je de ANIOS moet bellen die hem gezien heeft, en haar vragen waarom zij deze patiënt niet met mij besproken heeft als zij deze man heeft gezien. Als ze terug is zal ik dat ook doen. Ik kan verder niets voor je doen.’

’Maar…’

’Sorry, het is ontzettend druk, ik moet verder met mijn poli en de arts-assistent van de SEH is vandaag ziek, dus ik moet echt verder. Ik kan je niet helpen met je dode meneer. Veel succes!’

De neuroloog hing op. Kees hoorde een klik en daarna de onderbroken toon van een verbroken verbinding, terwijl hij nog met de telefoon aan zijn oor zat.

2,946 keer bekeken13 reacties

Recente blogposts

Alles weergeven